Topbanner http://www.thijsvanvalkengoed.nl

"Het andere slag zwemmers"

Auteur: Robert-Jan Friele
Bron: Het Parool

Ze worden wel eens de ‘keepers van het zwemmen’ genoemd: de schoolslagzwemmers. Thijs van Valkengoed – vanaf zondag actief op de WK zwemmen in Montreal – en afgezwaaid topzwemmer Benno Kuipers over de eigenaardigheden van hun nummer.

Ze kunnen er natuurlijk niets aan doen. Gedwongen door hun eigen lichaam zijn ze, in hun jeugdjaren. Het was niet hún keuze, zegt zowel Thijs van Valkengoed als Benno Kuipers, om schoolslagzwemmer te worden. Ze wonnen als jong talent titels op de schoolslag. Is het dan niet meer dan logisch daarmee verder te gaan? Van Valkengoed: “Er moet volgens bepaalde technische regels gezwommen worden. Als ik dat goed kan en daarmee naar de Olympische Spelen mag, ga ik niet de borstcrawl doen.”

Maak echter niet de fout in deze verklaring een verontschuldiging te zien voor het feit dat ze niet de 100 meter vrije slag zwemmen, het snelste en dus koningsnummer van hun sport. Daarvoor zijn schoolslagzwemmers te trots op hun slag. Dat het de langzaamste van alle zwemtechnieken is, willen Van Valkengoed en Kuipers nog wel toegeven. Ze kunnen moeilijk anders: de klok liegt niet. Maar vanaf daar begint de schoolslagpromotie. “Het is de moeilijkste techniek die er is,” aldus Van Valkengoed. “En de slag met de meeste weerstand,” zegt Kuipers.

De schoolslag is zelfs zo belastend voor het lichaam dat schoolslagzwemmers, om toch genoeg trainingsarbeid te kunnen doen in het zwembad, noodgedwongen uitwijken naar andere slagen.

Wat wil je ook als je spot met de essentie van de sport? Een zwemmer wil zo snel mogelijk van punt A naar punt B. Waar andere zwemmers verschillende technieken gebruiken om de weerstand van het water zo klein mogelijk maken, zoeken schoolslagzwemmers die weerstand juist op.
In de ‘contrafase’ – als de armen weer gestrekt worden en een begin wordt gemaakt met de beenbeweging – komen ze bijna stil te liggen in het water. In snelheid uitgedrukt: ze gaan van van twee meter per seconde naar 0,3 meter per seconde. Om kort daarna weer snelheid te maken.

Het maakt dat de schoolslag op de WK in Montreal, dat morgen begint, lang niet de aandacht krijgt van vrije slag of vlinderslag. Wereldrecordhouder op de 100 meter vrij? Pieter van den Hoogenband natuurlijk (47,84, Sydney 2000). De snelste man op de 100 meter vlinder? Ian Crocker (50,76, Long Beach 2004). Maar wie weet er nu wie wereldrecordhouder is op de 100 meter schoolslag? Kennelijk is complex niet geliefd. “Maar voor mij is dat juist de uitdaging,” zegt Van Valkengoed. “Veel mensen kunnen hard zwemmen op de vrije slag. Dat komt omdat de techniek makkelijker is.” Kuipers: “Bij schoolslag is ook de stijl belangrijk. Elke schoolslagzwemmer moet de stijl ontwikkelen die bij hem past.”

Schoolslagzwemmers puzzelen voortdurend aan die stijl, op zoek naar het ideale ritme. Dat moet de weerstand die ze zelf opzoeken, zo klein mogelijk houden. En het mooie is, vinden de schoolslagzwemmers zelf: iedereen heeft een andere stijl. Van Valkengoed: “Ik probeer wel te leren van wat anderen doen. Maar de schoolslag is een heel eigen slag: wat voor de een dé manier is om hard te zwemmen, kan voor iemand anders dé manier zijn om niet hard te zwemmen.”

Ja, ze zijn anders, dat wil Kuipers wel toegeven. En natuurlijk worden er grappen gemaakt. In een wereld waar het draait om snelheid, is de langzame collega natuurlijk een gewillig slachtoffer. Misschien is de sfeer in de voorstartruimtes voor schoolslagnummers daarom relaxter dan bij bijvoorbeeld de vrije slag. “Een doodse boel,” herinnert Kuipers zich van de keren dat hij wel uitkwam op de vlinder- of vrije slag. “Bij de schoolslag hadden we grote lol. Misschien waren het de zenuwen, maar misschien kwam het ook omdat we onder elkaar waren.”

Van Valkengoed en Kuipers hebben de grappen altijd gelaten over zich heen laten komen. Dat ze soms worden gekarakteriseerd als ‘de keepers’ van het zwemmen, het zij zo. Wie als missie heeft om zo hard mogelijk te gaan op het nummer dat zijn lichaam heeft uitgekozen, maakt zich niet druk om scherts. Bovendien – en dat willen de meeste schoolslagzwemmers best fijntjes uit de doeken doen – heeft elke schoolslagzwemmer op een goede dag een collega van de vrije slag of vlinderslag wel eens verslagen tijdens een training. Kuipers: “Als we alleen met de armen mochten zwemmen, kon ik die vrije slag-jongens altijd bijhouden.”

De schoolslag is het zwaarste nummer, dus de beoefenaars ervan zijn in de armen doorgaans het sterkst van alle zwemmers. Dan willen vrijeslagspecialisten het op hun eigen nummer, waar ze met hun benen veel snelheid maken, het wel eens afleggen. Kuipers: “En dat was dan lachen hè, na de training. Hadden ze verloren van een schoolslagzwemmer. Tjonge, jonge, dat kon eigenlijk niet.

Van Valkengoed ziet WK als nieuwe start

Thijs van Valkengoed (22) gold lange tijd als het ‘ideale talent’ van het Nederlandse zwemmen. De schoolslagspecialist – in 2000 en 2001 Europees jeugdkampioen op de 200 meter (in 2001 ook op de 100 meter, red. ZK) – had passie voor de sport, wilde de hele dag wel trainen en, het belangrijkst, bleef maar harder gaan.

De passie is gebleven, evenals de wil om te trainen, maar de laatste persoonlijke records dateren alweer van december 2003. Toen, op de US Open, kwalificeerde de student van de Johan Cruyff University zich met Nederlandse records voor de Olympische Spelen. In Athene viel het resultaat echter tegen: geen finaleplaatsen. Ook de EK kortebaan van december brachten niet waar Van Valkengoed op hoopte. Hij kon zijn bronzen plak niet prolongeren.

Terugkijkend kan Van Valkengoed genoeg oorzaken aanvoeren voor de stagnatie, met als belangrijkste de thuissituatie: in het najaar van 2003 werd bij zijn moeder borstkanker geconstateerd. “Inmiddels gaat ze weer vooruit. Na de laatste chemokuur duurde het lang voordat ze de oude was. Nu is de sfeer thuis normaler. Dat geeft rust en energie om weer hard te trainen.”

Maar ook de onrust rond zijn ploeg hield Van Valkengoed bezig. Toen het contract van coach Fedor Hes na de Spelen niet werd verlengd, richtte hij samen met zijn zwemmers een nieuwe ploeg op, zonder financiële zekerheden. Iedereen droeg zijn steentje bij en Van Valkengoed hielp bij het schrijven van een ondernemingsplan.

Tenslotte zorgde het te vroeg hervatten van de trainingen na de Spelen ervoor dat Van Valkengoed verder in het dal zakte dan nodig was. In januari had hij het in daarom helemaal gehad met zwemmen. “Het was trainen en slapen. Zelfs in het weekeinde was ik zo moe dat ik niets kon doen.”

Van Valkengoed nam enkele weken rust en hervatte daarna de training. “Maar ik train minder en ook zijn mijn trainingen anders ingedeeld. Bovendien zorg ik voor voldoende rust tussen de trainingen.”

Op de NK in april kwam hij met een tijd van 1.02,09 weer in de buurt van zijn persoonlijke record (1.01,52, tevens NR) op de 100 meter schoolslag, het enige nummer dat hij morgen op de WK zwemt. “Voor de 200 meter kom ik nog inhoud tekort.” Ondanks de zware laatste twee jaar wil Van Valkengoed op de WK zijn persoonlijk record aanscherpen. Mocht dat niet lukken, dan gaat hij zich beraden op zijn zwemtoekomst. Van Valkengoed: “Als je al anderhalf jaar dezelfde tijden zwemt, moet je kijken wat je verkeerd doet of dat je misschien je plafond al hebt bereikt.”